“Het is maar een TUIN, hè?”, zei een vriendin ooit tegen me. Bijna bestraffend, om mijn immer perfectionistische houding de kop in te drukken. Het is een zinnetje dat ik haar nog regelmatig in mijn hoofd hoor zeggen. Het is een tuin. Geen gladgestreken tafellaken waar je vanaf moet kunnen eten. Geen jurk voor de mooiste dag van je leven. Geen kwestie van leven of dood. Een tuin: de plek waar je je perfectionisme zult moeten laten varen.
Nu is dat geen gemakkelijke opgave voor iemand zoals ik. Ik houd van opgeruimd en netjes. Orde schept rust en geeft ruimte: niet alleen op de plek zelf, ook in mijn hoofd en in mijn leven. Brandschoon is het bij mij thuis zeker niet: voor zorgvuldig poetsen heb ik geen tijd en ook geen geduld. Met een jonge, speelse hond in huis ligt er altijd wel ergens een pluk haar. Door de muren van de oude boerderij waait het met een stevige oostenwind flink door de kieren, zodat het stof in huis nauwelijks te bestrijden is. En er hangt altijd wel ergens een langpootspin. Maar opgeruimd is het wel. Gebruikte glazen, borden of kopjes zul je bij mij niet lang in de kamer zien staan en post of kranten verdwijnen al snel in ordners of de papierbak.
Ik houd van opgeruimd en netjes.
Buiten zou ik die ordentelijkheid heel graag doorvoeren. Maar als je op het platteland temidden van uitgestrekte weilanden wilt wonen, moet je de wens om je tuin keurig op orde te hebben echt laten varen. Vanuit de omliggende weilanden komt in het voorjaar zoveel graszaad aanwaaien, dat we áltijd graspollen in de bloemborders hebben staan. Door goedgevulde werkweken komt tuinieren bij ons meestal op het weekend aan. Maar als je een week niet hebt opgelet, kun je vaak weer opnieuw met wieden en plukken beginnen. En ieder voorjaar zijn er vaste planten verdwenen. Zijn het de hazen, die jong blad hebben opgevreten? Is het te nat op onze kleigrond? Is het te droog in die zonnige hoek op het zuiden? Het is mij soms een raadsel. Wat ik niet per se wil hebben, tiert welig. En wat ik koester, zoals mijn Ridderspoor, dropplanten en Phloxen, is constant weer verdwenen. Soms groeit er in het voorjaar iets stevig door, waarvan ik niet zeker weet wat het is. Even laten staan dan maar, wellicht is het iets moois. Het blijken kruipende boterbloemen te zijn met zo’n stevig worteltapijt, dat ik ze na hun bloei nauwelijks nog weg krijg.
Om moedeloos van te worden soms. Als ik op mijn knieën door de tuin kruip, zie ik zóveel wat ik anders zou willen of wat ik er nooit heb aangeplant. Maar er zijn ook heel regelmatig die andere momenten. Als ik een paar uur bezig ben geweest en het resultaat van hard werken kan aanschouwen. Als ik met een kopje koffie in de hand over de tuin heen kijk, al is het maar door mijn oogharen. Als ik van een afstandje aan kom lopen en het grotere plaatje zie. Dan zie ik ineens de onvoorstelbare schoonheid. Moet je nou eens kijken hoe groen alles vanzelf weer is geworden. Moet je zien hoe die frisgele boterbloemen kleur aan die donkere hoek geven. Moet je eens opletten wat er gebeurt als straks die asters in bloei komen. Een explosie van geluk! Want hé. Het is maar een tuin, hè? Wat daar allemaal niet gebeurt als je perfectie durft los te laten en gewoon een beetje kunt meebewegen.
Deze column is eerder verschenen in Landidee (juli 2026, nummer 7), een uitgave van Vipmedia.


