“Ik heb vakantie vanaf volgende week vrijdag”, zei ik tegen een opdrachtgever. “Oh, wat lekker!”, reageerde hij. “Waar ga je heen?” Het bleef even stil aan mijn kant. Ik zei toch: ik héb vakantie? Niet: ik ga óp vakantie? In de dagen erna viel het me veel vaker op. Als je zegt dat je vakantie voor de deur staat, informeert vrijwel iedereen waar je naartoe gaat. Een gekke aanname eigenlijk. Want waarom moet je per definitie weg om vrij te zijn of ontspanning te vinden? Vakantie is voor velen onlosmakelijk verbonden met vertrekken.
Mijn man en ik denken daar anders over. We gaan graag en regelmatig samen op pad, maar juist in de zomer blijven we met alle plezier thuis. De tuin is op z’n mooist, de zwemvijver op temperatuur en we vinden op ons eigen erf op het platteland alle rust en ruimte die we nodig hebben. Als we echt een aantal weken vrij nemen van ons werk, maken we wel ‘vakantie-afspraken’: we doen zo min mogelijk huishoudelijke klusjes, eten regelmatig buiten de deur en laten onze agenda’s leeg. Geen zakelijke telefoontjes, geen privé-afspraken, niets wat moet. Of we wel of niet in onze vakantie in de tuin ‘mogen’ werken, blijft een discussiepunt. We spreken aanvankelijk af van niet: vakantie is vakantie. Maar als we lekker in de tuin zitten en een van ons begint wat onkruid weg te trekken uit de borders, is het hek al snel van de dam. En dan zeggen we: maar ja, tuinieren is óók ontspanning. Dus eigenlijk is de afspraak: klusjes in en om huis mogen, maar alleen als je er zin in hebt.
Waarom moet je per definitie weg om vrij te zijn of ontspanning te vinden?
Dat wonen in het buitengebied een permanent vakantiegevoel geeft, is overigens een misvatting. Ik begrijp wel dat veel mensen er zo over denken. Vrienden van ons komen hier op een mooie zomeravond aanrijden, strijken neer op het terras, vinden een fles wijn in de koeler en laten zich allerlei lekkere hapjes voorschotelen. Wat een rust, wat een heerlijkheid, wat een prachtige tuin. Opgeladen rijden ze weer huiswaarts. Mooi om mensen dat gevoel mee te geven en onze plek te delen met anderen. We zeggen er maar niet bij dat we die middag twee uur hebben grasgemaaid. Dat we een dag per week in de borders werken. Dat we stapels hout kloven, bomen en heggen snoeien, molshopen egaliseren, kapotte leidingen vervangen, bloembakken vullen, dagelijks planten water geven, een oude boerderij onderhouden, blad harken, fruit plukken, jam maken, dieren verzorgen, alg uit de vijver vissen en noem maar op. Dat de natuur nooit wacht totdat jij tijd hebt voor een klus. Dat er altijd dingen moeten als het net helemaal niet uitkomt. Of regent. Een fraai erf is veel werk dat je als buitenstaander niet ziet. Dus een permanent vakantiegevoel? Nee, dat ervaar ik hier eerlijk gezegd niet.
Dat wonen in het buitengebied een permanent vakantiegevoel geeft, is een misvatting.
Maar als ik in alle vroegte naar onze zwemvijver loop om mijn dagelijkse baantjes te trekken, als de zon opkomt boven ons weiland, als er in het voorjaar een zee van blauwe druifjes onder de nog dorre beukenhagen staat, als de boomgaard in bloei staat, als er reeën achter in het veld staan te grazen, als de zon knalrood weer ondergaat aan de andere kant van het huis, als er nevel over de velden rondom hangt en alles pastelkleuren heeft: dan hoef ik echt nergens anders heen om rust te voelen en schoonheid te ervaren. Dus waar ik naartoe ga zodra ik vrij ben? Ook deze zomer wordt het een enkele reis achtertuin.
Deze column is eerder verschenen in Landidee (juni 2025, nummer 6), een uitgave van Vipmedia.


